De aardaker

De aardaker, Lathyrus tuberosus, hoort bij de Vlinderbloemigen, Leguminosae; de op twee na grootste familie van bloeiende planten. Het is een stikstofbinder. In zijn wortelknolletjes kan hij met behulp van bacteriën stikstof omzetten in voedingsstoffen. Zo zorgt hij voor een vruchtbare bodem. Vermeerderen doet de aardaker door middel van zaden en ook door ondergrondse uitlopers. onder de aarde maakt hij wortels aan die zich verdikken tot knolletjes, hierin slaat de plant zijn reservevoedsel op. Bovengronds begint de ontkieming. Uit het kiemplantje groeit een 30 tot 90 centimeter hoge stengel met aan iedere bladsteel twee steunblaadjes, twee samengestelde bladeren en een krullende eindrank.

De aardaker bloeit van juni tot augustus met opvallend roze bloemen. Zijn buitenste kroonblad heet de vlag en tussen de twee zijblaadjes, zwaarden genaamd, zit de kiel, een vergroeid kroonblad. Lathyrus tuberosus is niet alleen mooi, hij ruikt ook nog eens heel lekker. Al in de 16e eeuw werden de bloemblaadjes gebruikt in parfums.

Voordat de aardappel populair werd, was de aardaker in Nederland een veel geteeld gewas. De Engelse volksnaam ‘Dutch mice’, duidt erop dat de groente ook buiten Nederland graag gegeten werd. De lekkere en voedzame knolletjes lijken met hun aanhangend worteltje een beetje op muizen met staarten. De zaden van de Lathyrus tuberosus zitten in een peulenschil en zijn niet eetbaar.

Vroeger kwam de inheemse aardaker veel voor op kleiakkers en in korenvelden, maar door de intensieve landbouw is het plantje nu bijna verdwenen. Hij komt alleen nog voor langs de grote rivieren, in Zeeland en de Vlaamse polders, evenals hier en daar in Zuid-Limburg. Zou je zelf graag een aardaker in je tuin willen hebben? Kom dan snel naar De Papaver want er staan nog een paar plantjes buiten in de verkoophoek!