De Grote Bonte Specht

Hoor je in een bos een stevige roffel, dan zal dat niet een achtergebleven Sint zijn. Dan is de kans groot dat een grote bonte specht de trommelaar is. Vroeger zag je hem niet in Delft. Maar sinds de bomenaanplant uit de jaren zeventig (Delftse Hout, Buitenhof) in echt bos verandert, hoor en zie je ze steeds vaker. Ze hakken nou eenmaal graag nestholtes in een boom.

Prachtig, zo trefzeker als ze zich aan een boom vasthouden, of ze klittenband aan hun poten hebben. In werkelijkheid hebben ze twee tenen naar voren en twee naar achteren. Plus een stevige staart die als steuntje kan dienen.

Ook in mijn tuin komen ze regelmatig, vooral als ik een pot vogelpindakaas in mijn prunus hang.

Zij, want bij mij is het meestal een vrouwtje, wordt ook steeds assertiever. Eerst liet ze zich nog wel eens intimideren door een paar spreeuwen. Nu maakt ze zich extra groot door een vleugel uit te spreiden. En dreigen met zo’n klopvaste snavel boezemt ook de brutaalste spreeuwen ontzag in.

Mannetjes en vrouwtjes van de grote bonte specht lijken erg op elkaar, maar toch zijn ze vrij makkelijk te onderscheiden. Volwassen hebben ze beide een zwart petje. Als dat zwart doorloopt naar de nek, dan is het een vrouwtje. Als de vlek in de nek rood is, dan is het een mannetje.

En dan zijn er ook nog met een rood petje, dat is dan een juveniel, een jong exemplaar.