De meerkoet

De meerkoet, Latijnse naam Fulica atra, komt algemeen voor in Nederland. In de winter leeft hij in troepverband, maar de rest van het jaar is het een agressieve vogel die geen andere meerkoeten in zijn territorium duldt.

De meerkoet heeft een witte snavel en voorhoofdsschild, rode ogen en zwarte veren. Zijn poten zijn opvallend groot en blauwgroen. Aan iedere teen heeft hij zes zwemvliesjes waardoor hij pijlsnel onder water zwemmen.

De meerkoet duikt op een bijzondere manier. Hij maakt een sprongetje omhoog en steekt dan zijn nek uit. Hij schiet recht het water in en kan zo wel zeven meter diep duiken. Anders dan eenden brengen meerkoeten hun voedsel, onder andere algen, weekdiertjes en waterplanten, boven water voordat ze het opeten. Daarom wordt hun eten vaak gestolen.

Als de meerkoet één of twee jaar oud is, kiest hij een partner waar hij zijn leven lang, meerkoeten worden zo’n tien jaar oud, bij blijft. Het mannetje en het vrouwtje, die trouwens niet van elkaar te onderscheiden zijn, bouwen ieder jaar een nieuw nest van riet, waterplanten en allerlei soorten drijvend afval. Het vrouwtje legt vijf tot tien zandkleurige eieren die door hen allebei bebroed worden. Na drie weken komen de meerkoetkuikens uit het ei. Met hun roodbruine kop en snavel en oranjegele sprieterige manen lijken ze nog helemaal niet op hun vader en moeder. Na acht weken zijn ze zelfstandig en kunnen ze vliegen. Het duurt drie tot vier maanden voordat ze een zwart verenkleed hebben. Het kenmerkende witte voorhoofdschild is pas na een jaar helemaal ontwikkeld.

 

 

Tags

Geef een reactie